In 2026 wordt eEvidence van kracht in Europa. Deze verordening en bijbehorende richtlijn die wordt geïmplementeerd in nationale wetgeving zorgt ervoor dat lidstaten straks rechtstreeks toegang tot elektronisch bewijsmateriaal (e-evidence) kunnen opvragen aan aanbieders die digitale diensten in Europa aanbieden. Daarom gaat NBIP in dit artikel in op hoe aanbieders zich moeten voorbereiden op eEvidence.
Volgens de Europese Commissie wordt inmiddels bij meer dan de helft van alle strafrechtelijke onderzoeken het verzoek ingediend door instanties om elektronisch bewijs (‘e-evidence’) te verkrijgen. Denk hierbij aan e-mails, chatberichten en accountinformatie.
Het verkrijgen van deze gegevens is echter volgens de Europese Commissie een langdurig juridisch proces. Dit geldt met name als deze gegevens staan opgeslagen op servers die zich in andere Europese landen bevinden. Daarom heeft de Europese Commissie twee nieuwe regels voorgesteld onder de noemer van eEvidence. Met eEvidence kunnen lidstaten straks rechtstreeks toegang tot elektronisch bewijsmateriaal opvragen aan aanbieders die diensten in Europa aanbieden.
Wat houdt eEvidence in?
Het eEvidence pakket bestaat uit een verordening en een richtlijn. De verordening werkt rechtstreeks, wat wil zeggen dat deze niet wordt omgezet in nationale wetgeving maar rechtstreeks in de lidstaten van kracht wordt. Dit gebeurt op 18 augustus 2026.
De richtlijn moet wel omgezet worden in nationale wetgeving. Op het moment van het schrijven van dit artikel is nog niet bekend wanneer het wetsvoorstel gepubliceerd wordt. Volgens de richtlijn moet deze door alle lidstaten zijn omgezet op 18 februari 2026. We zullen dit artikel updaten zodra er meer bekend is.
De verordening en de richtlijn regelen de volgende zaken:
Verordening
Binnen de verordening is de juridische basis vastgelegd voor het feit dat bevoegde instanties toegang krijgen tot de opgeslagen gegevens binnen een lidstaat. Dit valt onder het verstrekkingsbevel. Hierin staat ook dat aanbieders binnen 10 dagen, of in dringende gevallen binnen 8 uur, antwoorden moeten verstrekken. Op dit moment geldt hier nog een tijdsduur voor van 120 dagen bij een verstrekkingsbevel en bij de procedure voor wederzijdse rechtshulp geldt een periode van tien maanden.
Met het bewaringsbevel wordt voorkomen dat een aanbieder elektronisch bewijsmateriaal wist terwijl het verstrekkingsbevel nog in behandeling is.
Richtlijn
Volgens de richtlijn moeten aanbieders die niet in de Europese Unie zijn gevestigd maar hier wel diensten aanbieden, een wettelijke vertegenwoordiger aanwijzen in een lidstaat. Deze vertegenwoordiger is verantwoordelijk voor de ontvangst, de naleving en de uitvoering van bevelen en beslissingen die te maken hebben met eEvidence.
Voor wie gaat eEvidence gelden?
Onder de richtlijn en verordening vallen aanbieders van:
- openbare elektronische communicatienetwerken
- internetdomeinnamen en IP-nummering
- communicatie-, opslag- en verwerkingsdiensten
Als aanbieder die valt onder eEvidence dien je geregistreerd te staan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM geldt als toezichthouder van eEvidence en zien erop toe dat bedrijven zich tijdig inschrijven in de Court Database (CDB) van de Europese Commissie. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan de ACM het bestuursrecht toepassen om te handhaven wanneer bedrijven zich niet (tijdig) inschrijven of hun gegevens niet up-to-date houden.
Wat wordt er van mij als aanbieder verwacht binnen eEvidence?
Aanbieders die hun diensten in de Europese Unie aanbieden, moeten vanaf maart 2026 minstens één geadresseerde (lees: een aangewezen vestiging) of wettelijke vertegenwoordiger (als de aanbieder dat niet is) aanwijzen die ervoor zorgt de geadresseerde een aan de geadresseerde gericht bevel kan ontvangen en naleven.
Voor sommige Europese verstrekkingsbevelen voor het aanleveren van verkeers- of inhoudelijke gegevens ontvangen de autoriteiten in de lidstaat van de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger (tenuitvoerleggingsautoriteiten) van de aanbieder het bevel tegelijkertijd met de aanbieder. Zij kunnen een bevel echter weigeren op de volgende gronden:
- De gevraagde gegevens worden beschermd door immuniteiten of voorrechten of vallen onder regels over de vaststelling of beperking die betrekking hebben op de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid die worden toegepast in de lidstaat waar aanbieder is gevestigd.
- Het bevel:
- zou kunnen leiden tot een kennelijke schending van de grondrechten van de persoon van wie de gegevens worden opgevraagd;
- is in strijd met het beginsel dat een persoon niet opnieuw in een strafrechtelijke procedure kan worden berecht voor een strafbaar feit waarvoor die persoon binnen de EU reeds definitief is vrijgesproken of veroordeeld.
- Het feit dat in het bevel wordt genoemd, is niet strafbaar in de tenuitvoerleggingsstaat.
Mocht een aanbieder géén gehoor geven aan een bevel, dan kan de tenuitvoerleggende autoriteit in het kader van het strafrecht een boete op leggen of overgaan tot vervolging als een aanbieder in gebreke blijft. Dit is echter het uiterste middel. De toezichthouder voor de eEvidence richtlijn zal eerst, wanneer deze vanuit een lidstaat een klacht over een aanbieder ontvangt en na eigen onderzoek, vanuit het bestuursrecht een boete opleggen. Deze boete kan oplopen tot 2% van de totale mondiale jaaromzet van de aanbieder.
Hoe ziet eEvidence in de praktijk eruit?
In Europa wordt een ontwikkeld, waarbij er in iedere Europese lidstaat een aansluitpunt is voor toegang, verzenden en ontvangen van verzoeken. Het platform wordt door zowel de aanvrager als de verstrekker gebruikt.
Hierbij is het belangrijk te vermelden dat er géén Europese opslag van gegevens komt. Er komen nationale aansluitpunten voor overheid en dienstenaanbieders.
De legitimiteit van bevoegde instanties is gewaarborgd op de volgende punten:
- In het IT-systeem wordt informatie per lidstaat gespecificeerd en er wordt voor elektronische ondertekening gezorgd.
- Een eEvidence bevel kan alléén via het Nederlandse nationale aansluitpunt aan de aanbieder worden verstuurd.
Wanneer wordt eEvidence van kracht?
Binnen Nederland is het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) verantwoordelijk voor het implementeren van eEvidence in nationale wetgeving. Volgens de Europese Commissie moet de richtlijn uiterlijk op 18 februari 2026 zijn omgezet in nationale wetgeving.
Belangrijk om te vermelden is dat de verordening per 18 augustus 2026 binnen de Europese Unie geldt. Vanaf dat moment kunnen Nederlandse aanbieders van een openbare elektronische communicatiedienst of -netwerk ook direct verzoeken krijgen van bevoegde Europese autoriteiten om opgevraagde gegevens te delen.
Wat is de rol voor NBIP?
Door de lawuful interception en disclosure service (Tapdienst) – die al meer dan 25 jaar NBIP Deelnemers helpt bij het ontvangen controleren en verwerken van vorderingen – heeft het team ruime expertise in huis om eEvidence-vorderingen te behandelen namens deelnemers. Voor veel organisaties kan het verwerken van vorderingen een financiële en organisatorische belasting zijn die niet altijd goed te dragen is. Daarom biedt de lawful interception en disclosure service (Tapdienst) straks ook voor eEvidence-vorderingen uitkomst door dit gemeenschappelijke vraagstuk in de sector gezamenlijk op te lossen.