Tijdens de door NBIP georganiseerde eEvidence kennissessie op 22 april jl. in Utrecht werd duidelijk dat er nog een aantal hordes te nemen zijn voor 18 augustus 2026 – de datum dat eEvidence van kracht wordt. Samenwerking tussen Justitie & Veiligheid, de sector en andere belanghebbenden zal daarbij een sleutelrol spelen.
In het kort: wat is eEvidence?
Met eEvidence is het mogelijk dat bevoegde autoriteiten van EU-lidstaten straks rechtstreeks toegang tot elektronisch bewijsmateriaal (e-evidence) kunnen opvragen aan aanbieders van digitale diensten in andere EU-lidstaten. Aanbieders moeten als zij een bevel ontvangen binnen 10 dagen of in dringende gevallen binnen 8 uur antwoorden verstrekken. Nu staat die termijn op 120 dagen. De verwachting is daarom dat deze wetgeving voor een flinke toename in het aantal bevelen gaat zorgen. Aanbieders van digitale diensten moeten vanaf 18 augustus 2026 aan deze bevelen kunnen voldoen.
Daarom organiseerde NBIP, in samenwerking met Dutch Cloud Community en Vereniging van Registrars, een kennissessie om de sector voor te lichten over de laatste ontwikkelingen rondom eEvidence. Te gast was het ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) die verantwoordelijk is voor de implementatie van eEvidence in nationale wetgeving. Zo startte de sessie met een presentatie van Erik Planken, senior-beleidsadviseur bij J&V, over de laatste stand van zaken rondom eEvidence en wat aanbieders kunnen verwachten. Daaropvolgend was een panel waarin moderator mr. Marc van der Ham (Tilburg University) in gesprek ging met Erik Planken, Wilfred van Duyn (J&V), Jacqueline van de Werken (o.a. Dutch Cloud Community), Margreth Verhulst (VvR) en Octavia de Weerdt (NBIP). Daarin werd ingegaan op de meest acute vragen vanuit de sector over het voldoen aan eEvidence en de daarvoor te nemen stappen.
Status van de eEvidence wetgeving in Nederland
Het eEvidence pakket bestaat uit twee componenten: een Europese verordening en een richtlijn. De verordening werkt rechtstreeks vanaf 18 augustus 2026 en hoeft niet omgezet te worden in nationale wetgeving. De bepalingen uit de richtlijn moeten wel in nationale wetgeving worden omgezet. De uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal, de Nederlandse omzetting van de richtlijn, ligt op dit moment bij de Tweede Kamer. Het lijkt op dit moment niet waarschijnlijk dat de uitvoeringswet voor 18 augustus is aangenomen door beide Kamers van het Nederlands parlement. Dat betekent echter niet dat de verordening niet van kracht is per 18 augustus.
Wat betekent dat voor bedrijven? Organisaties moeten zich sowieso registeren in het registratieportaal, waarbij de aanvraag wordt gevalideerd door Autoriteit Consument en Markt (ACM), die in Nederland toezicht zal houden op de naleving van de uitvoeringswet. Uit het panelgesprek tijdens de kennissessie bleek dat wanneer er geen registraties hebben kunnen plaatsvinden, de richtlijn nog niet is geïmplementeerd of de API nog niet werkt, Nederland nog niet kan voldoen aan eEvidence-bevelen. Er moet volgens J&V dan een plan-B in werking treden, maar de invulling daarvan is nog onbekend. Let wel: het eEvidence-pakket zal naast het huidige Europese Onderzoeksbevel (EOB) bestaan.
Heeft de grootte van jouw organisatie impact op eEvidence?
In het panel werd ook besproken wat de impact gaat zijn op de vele organisaties die gaan vallen onder eEvidence. Denk hierbij aan de administratieve lastendruk voor kleine bedrijven. Waar in andere wetgevingen, zoals de Digital Service Act (DSA), nog uitzonderingen zijn voor (kleinere) MKB-bedrijven, is dit bij eEvidence niet het geval. Elke digitale dienstenaanbieder, zoals is beschreven in de verordening en ongeacht het aantal medewerkers of omzet, moet voldoen aan eEvidence. De reden hiervoor is dat men wil voorkomen dat criminaliteit zich verplaatst of wordt aangetrokken door dienstverleners die niet onder de verordening vallen. Verder werd duidelijk dat niet alleen jouw hoofdentiteit moet staan geregistreerd, maar dat je elk bedrijf dat valt onder jouw hoofdentiteit moet registeren voor eEvidence.
Financiële vergoedingen voor het verstrekken van eEvidence-bevelen?
In sommige landen, zoals onder andere in Nederland, geldt nationaal een vergoedingsstelsel voor de kosten die bedrijven maken om te voldoen aan bevelen van bevoegde instanties. Binnen het eEvidence-pakket is dat niet zo. Het ministerie van Justitie en Veiligheid liet tijdens het panel desgevraagd weten dat tijdens de gesprekken met de Europese Commissie er geen consensus was tussen de 26 lidstaten voor een vergoedingsstelsel.
Voor Nederlandse bedrijven betekent dit dat zij géén vergoeding krijgen wanneer zij een bevelen binnenkrijgen van een ander land dat geen vergoedingsstelsel heeft.
De volgende stappen voor eEvidence
NBIP staat klaar om vanuit haar 25-jarige ervaring met lawful interception en lawful disclosure de sector, het ministerie en andere betrokken instanties waar mogelijk te ondersteunen bij de implementatie van deze wet. Een van de punten is bijvoorbeeld het concreet maken welke groepen dienstverleners straks te maken krijgen met eEvidence. Daarnaast kwam ook tijdens het panel ter sprake of niet eerst de registratieplicht in werking wordt gesteld, en pas daarna de concrete verplichting. Deze vraag zal worden meegenomen in de gesprekken met de technische commissie die gaat over eEvidence.
In het najaar zal een volgende kennissessie over dit onderwerp georganiseerd worden door NBIP, waarbij zo veel mogelijk belanghebbenden betrokken zullen worden.